
Blikken we terug in de Gallo-Romeinse tijd naar de omgeving van Brouage, dan strekte zich een binnenzee uit van 10 km breed en 15 km diep met hier en daar een eiland op de plaats waar nu het moeraslandschap ligt.
Afgesloten door een heuvelrug lag de Golf van Saintonge beschermd tegen de oceaan.
Het trok mensen aan en op een van die eilandjes ontstond de nederzetting Hiers. De baai vulde zich in de loop der eeuwen met slikafzettingen. Uiteindelijk bleef er nog maar één opening naar zee open, een brouage, wat tot de naam van de vesting leidde. In de Middeleeuwen werd er in de omgeving de zoutwinning gestart.
Zout was toen erg waardevol, vooral als conserveringsmiddel van vis en vlees. Vanaf de 14e eeuw wordt het zout van Brouage steeds belangrijker, ook voor de internationale handel. Behalve de werkenden in de zoutwinning en -handel werden ook de kerk, de adel en het koninklijk hof er beter van door de heffing van een zoutbelasting. Philips VI van Valois was de eerste die in 1340 de zoutbelasting oplegde.
Het zoutmonopolie leverde de staat heel veel inkomsten op. Maar ook Brouage deelde in de welvaart, daar de stad het alleenrecht van de zoutopslag voor de staat verkreeg. Een deel van de productie werd regelrecht aan de kabeljauwvissers, die naar Newfoundland voeren, verkocht, evenals aan een aantal Europese landen, zoals Duitsland en Vlaanderen. In 1649 werden er 1703 buitenlandse schepen met zout volgeladen.