
In de Middeleeuwen woonde in Gerona een grote joodse gemeenschap, die zeer veel invloed had op cultureel en economisch gebied. Van 890 tot 1492 beleefden deze joden goede en kwade dagen in de 'Call', de jodenwijk.
Dit leven concentreerde zich om de synagoge, die in deze lange periode op verschillende plaatsen in de wijk heeft gestaan.
Hier werd niet alleen de godsdienst gepraktiseerd, het was ook een ontmoetingsplaats voor de bewoners van de wijk, die verplicht waren speciale kleding te dragen, waardoor zij als joden herkenbaar waren. De Call was een stad in de stad met haar smalle en steile straten.
Joden zijn altijd, de eeuwen door, vervolgd, afgewisseld met perioden van rust. Zo ook in Spanje. Werd het de mensen in de Call te warm onder de voeten of dreigde er een pogrom, dan trokken zij zich terug in een oud Romeins fort, de 'Torre Gironella', dat nu verwoest is.
In 1492 werden de joden (en Moren) onder Isabella van Castilië en Ferdinand van Aragón verplicht zich te bekeren tot het christendom en daarna zorgde de inquisitie voor de liquidatie van de overigen (óók voor de zogenaamde 'bekeerden' was weinig hoop te overleven tijdens de regering van deze 'christelijke' koningen). Wederom een zéér zwarte bladzijde uit de geschiedenis.
Ondanks dat er in de loop der eeuwen het een en ander is veranderd, geven de twee smalle straatjes, de C.Cúndaro en de C. Sant Llorenç, gelegen in het centrum van de oude Jodenwijk, nog een middeleeuwse indruk. In dit laatste straatje bevind zich ook het centrum Bonastruc ça Porta, sedert enige jaren ook bekend onder de naam 'Isaac el Cec', (Isaac de blinde), een groep gebouwen, binnenplaatsjes en tuintjes, met wisselende tentoonstellingen over het leven van de Joden in Gerona.