
Vanaf het begin van de 14e eeuw speelde het Brugse Vrije in het politieke Vlaanderen een belangrijke rol. Het gebied omvatte een groot deel van West-Vlaanderen, van de IJzer tot de omgeving van Biervliet en Terneuzen.
Om en rond het jaar 1000 wilde Boudewijn IV zijn graafschap territoriaal structureren. Daartoe richtte hij kasselrijen op en stelde ze onder de leiding van een burggraaf, een erfelijk ambt dat voorbehouden was aan de aanzienlijkste families.
In de loop der eeuwen won het Brugse Vrije, in oorsprong de oude kasselrij van Brugge, sterk aan economische en fiscale invloed. Samen met Brugge, Gent en Ieper werd het één van de 'Vier Leden van Vlaanderen', een representatief orgaan dat het Vlaamse volk vertegenwoordigde bij de graaf en bij buitenlandse machthebbers, zoals de Franse koning en de paus.
Het Brugse Vrije kon zijn invloed handhaven tot het einde van de achttiende eeuw, toen het samen met het ancien régime verdween in de nevelen van de tijd.
Gelukkig kunnen wij één en ander reconstrueren, want in 1571 schilderde Pieter Pourbus, in opdracht van het bestuurscollege van het Brugse Vrije, een kaart van het gebied. Met een lengte van 6,14 meter en een hoogte van 3,61 meter was de 'Grote kaart van het Brugse Vrije' meteen de grootste uit de 16e eeuw.
Gelukkig maakte Pieter Claeissens er in 1601 een verbeterde kopie van, want het origineel werd zwaar beschadigd. Historici en heemkundigen vinden er een schat aan afbeeldingen van kerken, molens, monumenten en meer dan 700 plaatsnamen van gehuchten, woonkernen, dijken, waterlopen, bruggen, sluizen en polders. Bij het bestuderen van de landschapsevolutie is de Pourbuskaart een uniek document.