
Orvieto is een waar hoogtepunt. Van welke kant men de stad ook nadert, ze biedt u vanaf haar hoge ligging op een heuvel van vulkanische tufsteen een fantastische aanblik.
Lang voor de Etrusken werd de heuvel al bewoond; zij maakten er hun religieus centrum van. Veel resten van Etruskische tempels heeft men teruggevonden. In de middeleeuwen was Orvieto (= oude stad) een bloeiende stad, een stad met alle bouwwerken die we al kennen als behorend tot die tijd.
Maar heel bijzondere roem dankt Orvieto aan de dom. Men begon de bouw ervan in 1290 om een waardig onderkomen te hebben voor de kostbare relikwie van het wonder van Bolsena (de met bloed bevlekte altaardoek of 'corporale'). Binnen twintig jaar stond de kerk er en verder is er bijna honderd jaar met onderbrekingen gearbeid aan de afwerking. De dom is zelf een wonder geworden, een wonder van schoonheid. Het aantal architecten, beeldhouwers, schilders en mozaïekwerkers dat er aan heeft meegewerkt bedraagt meer dan driehonderd.
Burckhardt, de befaamde historicus en boeiend schrijver over de Renaissance in Italië, noemt de dom het grootste polychromatische (veelkleurig) monument der aarde. Neem er de tijd voor en probeer een goede beschrijving bij u te hebben om er nog meer van te genieten.
Orvieto heeft nog veel meer te bieden.
De Piazza del Duomo ziet er met al zijn grote bouwwerken monumentaal uit. Naast de dom rijst het pauselijk paleis op; behalve Viterbo was ook Orvieto immers een pauselijk toevluchtsoord.
Tegenover de dom is in het Palazzo Faina een archeologisch museum gehuisvest. Het is een betrekkelijk jong museum, zeer instructief wat betreft de Etrusken: vazen en andere grafgaven, beelden sarcofagen, tempelresten, etc. Verder staat er op de Piazza del Popolo het Palazzo del Capitano del Popolo; de kleur van het materiaal (tufsteen) en de opbouw van de façade zijn heel fraai.
Gaat men nog meer naar het westen, dan komt men in de oude stad, maar zoiets hebt u wellicht al meer gezien.
De Pozzo di San Patricio aan de oostzijde van de stad is ook een bezoek waard. Het is een technisch wonder van Antonio Sangallo. De Medicipaus Clemens VII liet hem dit in de 16e eeuw bouwen om de watervoorziening van de stad in geval van belegering veilig te stellen.
De put is 61 meter diep en is als een dubbelspiraal aangelegd. Langs 248 zeer brede maar lage treden liepen de muilezels met hun waterzakken af en aan om het water omhoog te halen en dankzij de ingenieuze dubbele spiraal liepen ze elkaar niet in de weg. Toen paus Pius XI in 1932 een nieuwe ingang liet maken naar de Vaticaanse musea, paste men hetzelfde principe toe.
Rond de stad liggen Etruskische necropolen en tempelresten.