...dan pakt uw campingvakantie goed uit!

Weimar als culturele hoofdstad van Europa

Weimar werd door de Unesco en de Europese gemeenschap tot Culturele Hoofdstad van Europa verheven gedurende het jaar 1999. Het is terecht, dat deze hoofdstad van de Duitse klassieke tijd in de schijnwerpers komt te staan. In de geschiedenis van deze stad komen tal van grote namen voor. Lucas Cranach woonde er de laatste jaren van zijn leven. Hij schilderde er zijn laatste grote werk, het vleugelaltaar in de Herderkerk. Johan Sebastian Bach was jarenlang organist en componist aan het hof van de groothertog. Goethe woonde en werkte er, evenals Schiller. Liszt was lange tijd dirigent van het Theaterorkest. Zij lieten allen hun sporen achter.
In het Nationaltheater, waar vroeger onder leiding van intendant Goethe tal van producties hun première beleefden, werd in 1919 door de grondwetgevende vergadering de Republiek van Weimar uitgeroepen.
Veertien jaar later (1933) werd de stad door de nazi's uitgeroepen tot culturele hoofdstad van het Derde Rijk, terwijl ten noorden van de stad het concentratiekamp Buchenwald werd aangelegd.
In de Tweede Wereldoorlog werd veel verwoest. Op 9 februari 1945 werd de stad zwaar gebombardeerd. Sinds 1948 is Weimar niet meer de hoofdstad van de deelstaat Thüringen (dat werd Erfurt), maar toch blijft Weimar de cultuurstad van Duitsland, want het heeft de roem van een wetenschappelijke en culturele vorming over Duitsland, ja over Europa verbreid, zoals Goethe schreef in 1815.

Oorspronkelijk werd het Goethehuis gebouwd voor een kousenfabrikant, Goethe woonde er van 1782 tot aan zijn dood in 1832. Hij liet het huis naar eigen inzicht verbouwen. Sedert 1886 is hier het Goethemuseum. De kamers zijn in de oorspronkelijke staat ingericht met een bibliotheek, de natuurwetenschappelijke verzameling en de kunstverzameling van de dichter, die zich ook bezig hield met anatomie, plantkunde, morfologie, zoölogie en geologie.
In Weimar bevindt zich het Schillerhaus, waar de dichter Schiller woonde van 1802 tot aan zijn dood in 1805. De stad Weimar kocht het huis in 1847 en sinds 1989 dient het huis met moderne aanbouw als Schillermuseum. Het bevat een deel van de bibliotheek van Schiller en is ingericht in de stijl zoals die gold in de tijd van Schiller, maar helaas niet met de oorspronkelijke meubels. De vrouw van de dichter heeft die, door armoede gedwongen, helaas moeten verkopen.