
Tegenwoordig is Aléria niet meer dan een dorpje. Het heeft echter een eeuwenoude geschiedenis. Het is de oudste nederzetting in Corsica.

In de zesde eeuw voor Christus stichtten de Grieken, die van Phocae aan de kust van Klein-Azië kwamen, de stad, nadat ze door de Perzen waren verdreven. De haven lag beneden aan de lagune, le Lac de Diane, maar de nederzetting werd wat hogerop gebouwd, omdat die plaats gemakkelijker te verdedigen was. Want ook hier werden de Grieken voortdurend aangevallen. Tenslotte gaven ze het op. Ze trokken naar Marseille en gebruikten de stad nog uitsluitend als een soort steunpunt voor hun handel. Ze haalden hier lood, koper en ijzer, maar ook hout en wijn.

Rond 300 vóór Christus veroverden de Carthagers dit gebied, maar ze konden er nooit echt een stempel op drukken, want in 259 werden ze al verdreven door de Romeinen. Er werd wel een nieuwe stad gebouwd, maar een echt grote culturele vlucht nam het gebied nooit. Het werd eerder beschouwd als een verbanningsoord, vooral omdat de levensomstandigheden er niet goed waren.

Door de vele moerassen tierden de muggen en ander ongedierte er welig en dit gaf aanleiding tot allerlei ziektes, waaronder malaria. Het is feitelijk pas na de Tweede Wereldoorlog dat die plaag onderdrukt werd en wel door Amerikanen die hier tonnen DDT uitstrooiden.