...dan pakt uw campingvakantie goed uit!

Bastia: stad in twee delen


Bastia is de hoofdstad van Haute-Corse.
Corsica werd verdeeld in twee departementen (vroeger was er maar één): Haute-Corse, met Bastia als hoofdstad en Corse-du-Sud, met Ajaccio als hoofdstad.
Natuurlijk ziet u dat aan de nummerplaten van de auto's: in Haute-Corse rijdt men met 2B (de 2 komt van 20, het vroegere nummer van het departement Corsica en de B van Bastia) en in Corse-du-Sud met 2A (A = Ajaccio).

Een echt oude stad is Bastia feitelijk niet. Pas in de veertiende eeuw werd het vissersdorpje wat belangrijker, toen de Genuezen besloten hun nieuwe versterking op een beter verdedigbare plaats te bouwen.


Ten tijde van de Romeinen was Mariana de hoofdplaats van het gewest - bij de kathedraal van La Canonica heeft men de sporen ervan teruggevonden. Later hadden de gouverneurs van Genua hun paleis in Biguglia, maar toen de Corsicanen tijdens een opstand in 1372 het kasteel verwoestten, verhuisden ze naar de heuvel bij Bastia. Daar bouwden ze hun 'bastiglia'. Dit gebouw lag aan de oorsprong van de nieuwe naam Bastia.

Nu nog is Bastia de meest Italiaans aandoende stad van het eiland. Niet zo verwonderlijk als men weet dat de Genuezen tot 1768 dit gebied in handen hadden. De stad bestaat duidelijk uit twee delen: de Terra Vecchia beneden en de Terra Nova, het bastion.

U merkt wellicht dat beide gebieden aangeduid worden met een min of meer Italiaans klinkende naam. Het is echter geen Italiaans, maar Corsicaans. Corsicaans is immers geen Frans dialect, maar een afzonderlijke taal, meer verwant met het Italiaans.

Toch hebben de Corsicanen niet graag dat u ze Italianen noemt. Mussolini trachtte hen tijdens de Tweede Wereldoorlog bij Italië in te lijven, maar de Corsicanen wilden van geen lieve woordjes weten en verzetten zich heftig. Ofschoon ze niet allemaal even gelukkig zijn met de Franse aanwezigheid - dat ziet u wel aan de graffiti van nationalistische Corsicaanse groeperingen- wilden ze zeker geen Italiaanse dictatuur over de vloer halen. Zij wilden en willen nog steeds zoveel mogelijk hun eigen potje koken.

Wilt u even de stad verkennen vertrek dan van de Place St. Nicolas, waar het Bureau van Toerisme zich bevindt. Verwonderlijk genoeg vindt u in het midden van het plein geen fontein, zoals in andere Franse steden, maar een kiosk.

Wel zijn er de nodige platanen en palmbomen en aan de zijkanten twee standbeelden: één als herinnering aan de gesneuvelden uit de beide wereldoorlogen en één in wit marmer voor Napoleon. Langs de Rue Napoleon (zoals u ziet wordt hij ook hier erg vereerd) loopt u langs de St. Rochuskapel uit 1604 en de Chapelle de l'Immaculée Conception (de Onbevlekte Ontvangenis) uit 1611. Vandaar wandelt u naar de Eglise St. Jean Baptiste, de hoofdkerk, die vermoedelijk in de zeventiende eeuw in zijn huidige vorm verrees. Binnen zijn de rijke barokke versieringen te zien.

Het meest pittoreske deel van de stad is zeker de oude haven, le Vieux Port, vroeger een aanlegplaats voor vissersvaartuigen, nu voor luxueuze jachten. Hij ligt in een prachtig kader: de vele eethuisjes met terrassen, het bastion, de hoofdkerk, de bergen.

Hier begint de klim naar de Terra Nova. In dit hoger gelegen gedeelte komt u langs de dubbele poort en zo komt u terecht op de Place du Donjon met het vroegere paleis van de Genuese gouverneurs dat nu als museum, 'Musée Ethnographique' gebruikt wordt.

Verder staan er nog twee kerken. De Eglise Sainte-Marie uit de vijftiende en zeventiende eeuw met een mooi interieur en de Chapelle Sainte-Croix uit de zestiende eeuw, waar een miraculeus kruis vereerd wordt.


Denk eraan dat een groot deel van de bevolking afstamt van vissers en dus erg gelovig is, op het randje van het bijgeloof.
Op de Place Saint-Nicolas kunt u een treintje nemen dat de toeristen moeiteloos het mooiste van de benedenstad laat zien en tevens naar boven rijdt. Ook kunt u op een terrasje iets drinken of even winkelen in de Boulevard Paoli.


De bovenstad biedt een prachtige panorama.