
Gotiek
Tussen 1150 en 1350.
Opvallend is het verticaal omhoog stuwende principe. De toeschouwer wordt, als het ware, gedwongen om omhoog te kijken, om naar de hemel te kijken.
Het grondplan van de gotische kathedraal is het Latijns kruis. Men kan de kerk onderverdelen in een schip, een dwarsbeuk en een koor met kooromgang. Het schip telt
dan weer 3 verticale delen: de pijlers tussen de midden- en zijbeuken, de loopgang en tenslotte de ramen in maaswerk.
Het uitgangspunt van de bouwstijl is 'het kruisribbengewelf', waardoor men de druk van het dak kan afleiden naar enkele lijnen. Niet alle muren zijn nog dragend zoals bij Romaanse kerken. Men neemt nog meer druk weg door de luchtbogen en steunberen buiten, zodat veel ruimte vrijkomt, die wordt opgevuld met ramen zodat veel licht van de hemel binnenvalt. Vandaar dat men een Gotische kerk ook wel 'Porta Caeli' noemt.
Typische elementen zijn het roosvenster en de spitsboog.
Renaissance
De mens in de Renaissance van de 15e en 16e eeuw wilde niet langer alleen maar geloven, hij wilde ook begrijpen en weten.
De kunstenaars wilden aan dit beeld beantwoorden. De kunst ging zich oriënteren op de klassieke oudheid, hetgeen zich in de bouwkunst uitte in:
- Streng uitgewogen vormen en zoeken naar de juiste verhoudingen (lengte en breedte):
- Het veelvuldig toepassen van zuilen en pilasters.
- Het gebruik van eenvoudige meetkundige figuren.
- Een diepgaande studie van het perspectief laat de architect toe aan gedurfde koepelbouw te doen.
- Een voorbeeld van een Renaissance-gebouw in Parijs is het rechterdeel, gezien vanaf de piramide, van de Cour Carrée naast het Pavillon de l'Horloge.
Barok
In de 17e en eerste helft van de 18e eeuw.
Barok was een reactie op de reformatie, die onder andere door het bouwen van prachtige, kostbare kerken een demonstratie wilde geven van de macht van de katholieke kerk.
Kenmerkend voor de bouwkunst waren de grootse en majestueuze vormen. De vormen zijn beweeglijk en de overdadige decoraties werden moeiteloos opgenomen door de architectuur.
In Frankrijk kende de barok zijn bloeiperiode onder Louis XIV. De gebouwen waren echter redelijk sober van uiterlijk. De gebouwen moesten immers een uitdrukking zijn van macht van de absolute vorst en men legde als gevolg de nadruk op het doordachte van het gebouw.
In Frankrijk spreekt men daarom van classicerende barok. Grote voorbeelden in Parijs zijn: Colonnade van Perrault (Louvre), Dôme des Invalides, Versailles en Place Vendôme.
Rococo
Tussen 1720 en 1775.
De stroming was in Frankrijk alleen aanwezig in de decoratieve kunsten. De naam kwam van 'rocaille', de meest geliefde ornamentvorm. Alles was asymmetrisch, luchtig en elegant. Men beschilderde wanden en plafonds in tere kleuren en voorzien van stucwerk. Daarnaast ging het om verfijnde meubels en sierlijk porselein. Aan de muur hingen schilderijen in pasteltinten (Fragonard en Watteau).
Voorbeelden in Parijs zijn Versailles en Palais de Soubise in de Marais.
Classicisme
De stroming bestond in de tweede helft van de 18e eeuw en in een belangrijk deel van de 19e eeuw.
De Verlichting en het rationalisme, zoals de evolutie van de positieve wetenschappen en de 'culte de la raison', speelden een grote rol. Alles moest weloverwogen zijn en emoties hoorden er niet bij.
Het ornament verloor meer en meer aan betekenis. Algemene versobering kortom. De voorkeur ging naar een scherpe, zuivere lijn waardoor het constructieve element natuurlijk op de voorgrond komt. Typisch was ook het gebruiken van elementen uit de bouwkunst van de klassieke oudheid.
Voorbeelden in Parijs zijn: Petit Trianon, Ecole Militaire, Panthéon, Madeleine, Arc de Triomphe en de zuil op de Place Vendôme.