
In de middeleeuwen werd veel gereisd en in de streek rond Carcasonne bestond een bloeiende handel, o.a. met het Midden-Oosten. Mede daardoor ontstond hier de denkwijze van de Katharen. Lange tijd kunnen de inwoners van het inmiddels Kathaarse Carcassonne zich verdedigen tegen de kruisvaarders van Simon van Montfort, maar door watergebrek en verraad valt uiteindelijk tóch de stad in 1209.
In 1229 valt Carcassonne aan Lodewijk de Heilige ten deel en hij is het, die na een vreselijke belegering in 1240 tot de conclusie komt, dat de stad niet voldoende verdedigd kan worden.
Als voorpost, die zó dicht aan zijn zuidelijke grens ligt, moet de stad aanzienlijk worden verstevigd. Er is nog enkel een binnenmuur en de buitenomheining van deze muur wordt opgehoogd. De muur werd geflankeerd door veel torens. Dan volgt de bouw van een buitenmuur en die moet de stad verdubbeld beschermen, omdat voortaan een vijand twee i.p.v. één hindernis moet nemen. Maar pas onder de regering van de zoon van Lodewijk de Heilige, Philips de Stoute, ontwikkelt de stad zich geheel en wordt haar koninklijke verdedigingsstructuur voltooid. Daarna wordt de Cité praktisch onneembaar.
Haar verval begint in de 17e eeuw. Dan wordt bij het verdrag van de Pyreneeën de Frans-Spaanse grens verschoven naar de Pyreneeën en verliest de stad haar strategische rol. In 1853 wordt aan de architect Violet-le-Duc opgedragen om de stad te restaureren en dank zij zijn werk kunnen wij nu dit unieke Franse monument in al zijn glorie aanschouwen.
Bij de poort ziet u het (beschadigde) standbeeld van de naamgeefster van Carcassonne 'Madame Carcas'. Volgens de legende heeft zij na een beleg van 5 jaar door Karel de Grote, toen de stad ten onder dreigde te gaan aan een hongersnood, haar varken vetgemest met het laatste koren, wat ze nog bezat. Zij gooide vervolgens dit dier vanaf de toren voor de voeten van de vijand. Het arme dier barstte door deze val uit elkaar en toonde de belegeraar zijn volle maag, zijn galgemaal, van nog onverteerd koren.
Door deze aanblik werd de bezetter zó ontmoedigd, dat hij de aftocht blies. Madame Carcas trachtte Karel terug te roepen. Zij liet de trompetten blazen en riep de koning toe: 'Sire, Carcas te sonne', dat betekent: 'Sire, Carcas daagt je uit'. Volgens deze legende komt 'Carcassonne' aan zijn naam.