De Sainte-Chapelle is in de 13e eeuw gebouwd door Lodewijk de Heilige (Lodewijk IX) op de binnenplaats van het Palais de la Cité, de residentie van de koning en zetel van zijn administratie.
Louis IX was vooral in Byzantium voortdurend op zoek naar nieuwe relikwieën en gaf daaraan ongeveer tweemaal zoveel uit als voor de bouw van de Sainte-Chapelle die bestemd was om zijn verzameling (doornenkroon, purperen mantel en bloed van Christus, een spijker van het kruis, een stuk van het kruis en een deel van de lans en de spons van de Romeinse soldaat en bovendien moedermelk en haren van Maria) te bewaren.
De kroon en het deel van het kruis werden bewaard in een reliekschrijn van 2,70 meter lang, versierd met zilver. Tijdens de Revolutie werd het schrijn omgesmolten en werd de benedenkapel gebruikt als korenmagazijn.
De relikwieën worden nu bewaard in de Notre-Dame en in de Bibliothèque Nationale.
De kapel dateert uit 1244 en werd bijzonder vlug gerealiseerd, n.l. in 4 tot 6 jaar.
Het idee alleen al van het gebouw was nieuw. Kerken werden vaak gebruikt als burchten ter verdediging. Hoe moest men zo'n glazen schrijn verdedigen? Hoe moest het dak blijven staan zonder de steun van muren?
De architect heeft iets geweldigs tot stand gebracht. 700 jaar later vertonen de steunberen nog geen scheurtje en de kapel nog geen teken van verval.
De Sainte-Chapelle bestaat uit een benedenkapel voor het paleispersoneel en een bovenkapel, de koninklijke kapel, waar de relikwieën werden bewaard.
Vanaf 1846 worden belangrijke restauratiewerken uitgevoerd die de kapel haar oorspronkelijke glans terugbezorgen.
Eéns per jaar, in mei ter gelegenheid van Saint Yves, de patroonheilige van de rechtsgeleerden, wordt er nog een mis in de kapel gehouden.