
Centraal in elk klooster is de kloosterhof of de kruisgang, die de verbinding vormt tussen de belangrijkste delen van de gemeenschap. In het noorden vinden we altijd de kerk, in het oosten de kapittelzaal en de sacristie, in het zuiden de refter en in het westen de plaatsen waar gewerkt wordt.
De kapittelzaal is de zaal waar de belangrijke beslissingen van het klooster genomen worden, waar delen uit het Evangelie (kapittels) voorgelezen worden, waar de kloosterlingen voor hun zonden 'gekapitteld' werden. De kapittelzaal van Fontevraud is uniek.

De ingang is prachtig bewerkt. De muren zijn rond 1570 van prachtige schilderwerken voorzien. Op de afbeeldingen uit het Evangelie zien we overal de abdissen van Fontevraud als toeschouwers deelnemen aan de taferelen. In de vensteropeningen vinden we rijk versierd beeldhouwwerk. Ook hier weer veel symboliek. Let verder op de elegantie van de gewelven, zij lijken op palmbomen. De sluitstenen hier zijn ook mooi bewerkt. De vloer bestaat uit zwarte en witte plavuizen. In de zwarte staan afbeeldingen waarbij vooral opvallend zijn de monogrammen van Renée de Bourbon (RB) en Louise de Bourbon (een gevleugelde L). Verder zien we nog de gekroonde salamander van François I (die we ook in Cognac tegenkwamen).

Naast de kapittelzaal ligt de enige ruimte die in het vroegere klooster verwarmd was. Hier verrichtte men schrijf- en borduurwerk, want bij dat werk kon men geen koude vingers gebruiken.
In de hoek van deze vleugel gaat een trap naar de kelders. Zowel in de tijd van het klooster als in de tijd van de gevangenis werd deze ruimte gebruikt om onwilligen (nonnen die ongehoorzaam waren of gevangenen die tijdens hun gevangenschap tegen de regels zondigden) voor kortere of langere tijd in afzondering op te sluiten.

Via de keldertrap kunnen we het ziekenhuis Saint Benoît (Benedictus) bezoeken, een groot, eenvoudig en daardoor indrukwekkend gebouw.
Als we weer door de kelder teruggaan kunnen we via de kloostergang naar de slaapzalen. Hier is een overzichtstentoonstelling van de tijd dat de abdij als gevangenis fungeerde.
Daarna komen we in de refter, die rond 1500 gebouwd werd. Het is een enorme ruimte, 45 meter lang, 10 meter breed. In de tijd van de gevangenis is veel van de oorspronkelijke bouw tenietgedaan. Ramen en deuren verdwenen en er werd een tweede etage aangebracht om meer gevangenen te kunnen herbergen (overigens, dat heeft men in bijna alle andere ruimten ook gedaan).
Als laatste komen we in een wonderlijk gebouw, de oude keuken van de abdij, opgetrokken in Romaanse stijl met Byzantijnse invloeden. Van buiten lijken de daken bedekt met de schubben van een vis, van binnen is het achthoekige bouwsel imposant: 27 meter hoog, een doorsnede van 11 meter en in elke hoek nissen die gebruikt werden om vuur te stoken en te koken. Overal ook schoorstenen, 20 in totaal. In de regeerperiode van Renée de Bourbon bouwde men een nieuwe keuken. Gelukkig is de oude intact gebleven.