
Achthonderd jaar lang was het Louvre de verblijfplaats van koningen en keizers. Door opeenvolgende uitbreidingen in de loop van de geschiedenis werd het een van de grootste paleizen.
Het Louvre werd echter pas wereldberoemd toen het een museum werd.
Het idee van een museum bestond reeds onder Louis XVI, maar wordt uiteindelijk gerealiseerd door de Conventie die in 1793 de Grande Galerie openstelt voor het publiek.
Het begint met de bibliotheek van Charles V. François I koopt de eerste schilderijen (waaronder de Mona Lisa).
Onder Louis XIII zijn er 200 doeken. Louis XIV bezit korte tijd later reeds 2500 schilderijen en organiseert regelmatig tentoonstellingen.
Napoleon I maakt er het grootste museum van de wereld van door de overwonnen naties te laten betalen met kunstschatten (het grootste deel wordt door de geallieerden in 1815 weer weggehaald).
Tijdens de oorlog (vanaf 1939) werden de belangrijkste kunstwerken in de provincie in kastelen in veiligheid gebracht.
De collectie van Frans I (1515-1547) vormt de basis voor de schatten van het Louvre. Hij kocht vele Italiaanse schilderijen waaronder de 'Mona Lisa' van Da Vinci.
Door aankopen en schenkingen groeide de collectie in de loop der jaren. Er zijn nu o.a. afdelingen voor Oosterse, Egyptische, Griekse en Romeinse kunst en Europese schilderkunst (1400-1850).
Bij een bezoek is het aan te raden om vooraf een keuze te maken voor een bezoek. Het is onmogelijk om alles zelfs in een hele dag te bekijken.