...dan pakt uw campingvakantie goed uit!

Stromingen in de Parijse schilderkunst

De Vlaamse Primitieven
De stroming ontstond in de 15e eeuw.
De gouden achtergronden, typisch voor de Middeleeuwen, verdwenen en verving men door woninginterieurs of geïdealiseerde, open landschappen. Een aandachtige waarneming van de natuur lag ten grondslag aan elk schilderij dat men zeer gedetailleerd opbouwde.
De onderwerpen waren overwegend religieus, maar aan het natuurlijk of architectonisch kader besteedde men evenveel zorg. Men streefde naar diepte en perspectief, hetgeen men deed door kleurtonen, licht en schaduw en vooral door het luchtperspectief. De kleuren van de objecten op afstand werden waziger.

Het realistisch portret deed zijn intrede. Er kwam ook een ontleding van het gelaat en persoonlijkheid, maar van echte anatomie was nog geen sprake.
Daarnaast ontdekte men een nieuwe techniek: men bedekte houten panelen eerst met een grondlaag, waarna men er verschillende lagen olieverf op aanbracht. Olieverf droogde trager zodat men veel nauwgezetter kon werken. Een techniek die de Italianen overnamen, onder andere Leonardo da Vinci. Een enorm grote aandacht voor het detail kwam tot uiting in de klederen en juwelen.
De belangrijkste vertegenwoordigers waren Van Eyck (de grondlegger), Van der Weyden, Van der Goes, Memling, Bouts, Quinten Metsijs.

Renaissance
De stroming kenmerkte zich door een terugkeer naar de klassieke oudheid (de klassieke bouwstijl van de gebouwen in de schilderijen), de lof van de aardse schoonheid (het lichaam is meer dan het stoffelijk omhulsel van de ziel), een betere anatomische kennis en verovering van de derde dimensie (perspectief).

Barok
De schilderkunst van de barok kenmerkte zich door de hevige kleuren en scherpe contrasten.
In plaats van de harmonische lijnen uit de Renaissance ontstonden kleurvlekken. Een wervelende beweging, maar de toeschouwer behield steeds het overzicht. De voornaamste opdracht van de schilder bestond in het verheerlijken van kerk en geloof, van de vorst en zijn 'heldendaden'. Vaak ging het ook om plafond- en gewelfschilderingen en sterk dramatische taferelen die de toeschouwer in de ban hielden.
De belangrijkste vertegenwoordigers waren Caravaggio, Velasquez, Rubens, Jordaens, Antoon van Dijck, Frans Hals, Rembrandt en Vermeer.

Classicisme
In het classicisme was de schilder in de eerste plaats een knap tekenaar, opgeleid in de kunstacademie door studie van het antieke beeld. Andere kenmerken waren de klare, symmetrische opbouw, beperkte beweging en strenge lijnen.
Religieuze stukken werden niet meer besteld. Maar onderwerpen uit de oude geschiedenis waren een bewijs van de kennis van de kunstenaar. De portretten waren het beste wat deze schilderkunst voortbracht.
De belangrijkste vertegenwoordigers zijn en Auguste Ingres en Louis David. Laatstgenoemde verheerlijkte, naast onderwerpen uit de oude geschiedenis, de revolutie en werd hofschilder van Napoleon I.

Romantiek
Het classicisme formuleerde wetten om de ideale schoonheid te bereiken, maar vergat dat kunst meer was dan louter rede. Een heftige reactie was het gevolg: de kunstenaar ontweek de klassieke regels en zag het gevoel als enige wet.
Karakteristieke elementen van de stroming waren:
- Het opstandige en eenzame genie van de kunstenaar, een sterk individualisme.
- De terugkeer naar de natuur.
- Het herontdekken van de Middeleeuwen.
- Het 'mal du siecle'.
- Het gevoel, het mysterie en het onderbewuste kwamen op de voorgrond.

Men onthaalde de nieuwe schilderstijl met een storm van protest. De stijl botste immers met alle klassieke regels.
De belangrijkste vertegenwoordigers waren Goya, Gericault, Delacroix, Corot, Turner en Constable. De modernen zagen in Delacroix hun voorloper wat betreft techniek. Hij beklemtoonde de waarde van licht en kleur op zichzelf. De wijze waarop hij kleur gebruikte, was afhankelijk van de kleur zelf en niet van het onderwerp.

Realisme
Opeenvolgende revoluties illustreerden hoe ondraaglijk de vroegere regimes waren voor het ondertussen fel veranderde Europa. De kunst trok zich jarenlang terug in een droomwereld, maar nu ging men zich opnieuw richten op de werkelijkheid. De kunst had aandacht voor de noden van de uitgebuite bevolking en was de eerste om de hogere klassen aan te klagen. Heel typisch was het sociale karakter van de kunst, sommige varianten waren zelfs socialistisch. De wil om de feiten, objectieve gegevens weer te geven voerde de boventoon. De kunstenaar ging zich interesseren voor de nederige verschijning van dingen en mensen. Men besefte dat het ook lelijke kunst kon zijn. Een uitloper was het naturalisme, dat zich wilde beperken tot de weergave van louter zintuiglijke gegevens en alle geestelijke inhoud, morele oordelen of bedoelingen verwierp.
In Frankrijk waren de belangrijkste vertegenwoordigers voorloper Eugène Boudin, Gustave Courbet en Jean François Millet.

Naïeve schilderkunst
Betrof de benaming voor de schilderkunst van amateurs die meestal ook nog autodidact waren. Men mag hen echter niet verwarren met volksschilders (bijvoorbeeld uithangborden of kerkpanelen). Ze schilderden in de eerste plaats voor zichzelf en probeerden in alle ernst hun droomwerelden te schilderen.
De naïeve schilderkunst ging op zoek naar de oorsprong. Men zegt wel eens dat het net kindertekeningen zijn en dit klopt ten dele: de kunstenaars zijn immers op zoek naar ongekunstelde, heel persoonlijke voorstellingen. Bovendien gaf de naïeve schilderkunst een poëtische betovering aan de werkelijkheid.