
Volgens de legende was er eens een zekere Raimond de Poitiers. Tijdens een jachtpartij op een woest everzwijn had de graaf per ongeluk zijn oom met een speer gedood. Somber doolde de jongeman door de bossen van Coulombiers, in de buurt van Lusignan, toen er plotseling een bron voor hem opwelde.
Deze bron, de Font de Sé, borrelde op aan de voet van een uitloper. Op de top zag Raimond de bevallige tengere silhouetten van drie vrouwelijke figuren. Eén van hen was de fee Mélusine, een fee waarop een verschrikkelijke vloek rustte, omdat ze lang geleden haar vader had vermoord. Daar kon ze onderuit komen als ze zou trouwen met een ridder, die ermee zou instemmen haar nooit op zaterdagen te zien, daar ze als straf altijd op zaterdagen in plaats van benen vinnen had.
Raimond werd verliefd op haar en trouwde met haar onder de belofte haar nooit op zaterdag te zullen zien. Ondanks haar huwelijk slaagde Mélusine erin haar toverkracht te bewaren.
Ze hoefde maar met haar toverstafje te zwaaien en er verschenen droompaleizen. Zo liet zij ook het kasteel in Lusignan verrijzen op de plaats waar ze Raimond had ontmoet, maar ook de kastelen in Pouzages, Tiffauges, Mervent, Vouvant, Parthenay en Châteaumur ontstonden op die manier.
Maar Melusine verborg een geheim. Zoals gezegd op zaterdag namelijk werd ze steeds half vrouw, half slang. Een straf, die haar was opgelegd. Onder geen beding mocht iemand haar zo zien.
Op een mooie zaterdag doorkliefde een jaloerse Raimond met zijn zwaard de deur van het vertrek van de tovenares. Tot zijn verbazing zag hij dat zijn vrouw, die een bad nam en haar gouden lokken aan het kammen was, was veranderd in een zeemeermin. De mooie Mélusine vluchtte via het raam, veranderde in een reuzenslang, ging nog 3 keer om de stad en de burcht, om tenslotte van de kasteelmuur te vallen en spoorloos te verdwijnen.
Ten noorden van Fontenay ligt nog altijd een bosgebied met de naam het 'Pays de Mélusine'.