
Het oude Dion was de heilige stad van de Macedoniërs.
De naam is afgeleid van Dias, wat een andere naam is voor Zeus. De Macedonische koningen kwamen hier regelmatig om de Olympische Goden hun offers te brengen.
Koning Arhelaos (414-399 v. Chr.) liet dit gebeuren uitbreiden met de uitvoering van toneelstukken en legerdemonstraties.
Philippos vierde er menig feest na het behalen van weer een overwinning en Alexander bracht er zijn offers aan Zeus alvorens met zijn veroveringstocht tegen de Perzen te beginnen.
Hier werden ook de legers getraind en ontstond de beroemde schuine slagorde (Falanx) die de Macedoniërs vele overwinningen bezorgde.
Tijdens de Romeinse periode in de 2e en 3e eeuw na Chr. was Dion opnieuw een belangrijke plaats.
In de 5e eeuw na Chr. vonden er aardbevingen plaats die het gebied verwoestten. Ook werd het gebied overspoeld en met modder bedekt door buiten hun oevers tredende rivieren en door tijdelijke steiging van de zeespiegel. Overigens was dit alles een geluk voor latere archeologische opgravingen, omdat daardoor vele voorwerpen en bouwwerken beschermd werden tegen roof en verdere vernieling.
Tijdens de opgravingen werden in de omgeving van de stad de tempels voor de goden, het theater en het stadion gevonden. De tempels waren behalve voor de bewoners van Dion ook toegankelijk voor anderen. O.a. de tempel van Dimitra uit circa 500 v. Chr. is meer dan 800 jaren in gebruik geweest. Ook vreemde goden werden er geëerd, o.a. de Egyptische god Isis.
De stad werd goed beveiligd door sterke muren en had al een groot netwerk van wegen met bestrating. Er waren behalve de tempels ook veel openbare gebouwen, privé-huizen, werkplaatsen en winkels.
Ook was er een zeer uitgebreid complex van openbare badhuizen (circa 4000 m²) en een waterleiding en rioleringssysteem.
Heel bijzonder is de manier waarop het water in de badhuizen werd verwarmd.