...dan pakt uw campingvakantie goed uit!

De lange geschiedenis van de Olympische Spelen

De lange geschiedenis van de Olympische Spelen

De eerste Olympiade begint naar onze tijdrekening in 776 v. Chr. Een Olympiade duurde vier jaren, want de spelen werden om de vier jaar gehouden. De lijsten van de winnaars waren aanvankelijk klein. Die van 776 v. Chr. bevatte één naam, n.l. die van Koroibos. Hij won het enige 'nummer' dat er te winnen was, n.l. de 'dromos', de stadionloop, een afstand van 190 meter. Vijftig jaar later liep men de dubbele afstand, de 'diaulos', weer een Olympiade later de 'dolichos', 1150, 1200 of soms 4000 meter.

Rond 700 kwam er het worstelen bij, daarna de vijfkamp (worstelen, hardlopen, verspringen, discuswerpen en speerwerpen). Men breidde het programma nog uit met boksen en in 680 met wagenrennen.

De wagenrennen waren als wedstrijd al minder onschuldig; al gebruikte men geen wielpennen van was, een ongeluk lag steeds op de loer. Nog gevaarlijker was het 'pancration', een kruising tussen worstelen en boksen, waaraan pas een einde kwam door het opgeven of de dood van één van beide kemphanen.

Aanvankelijk waren het de spelen van de adel en de welgestelden en domineerde het meest militaristische volk, de Spartanen. Maar steeds meer waren de spelen er voor iedereen; men moest echter wel Griek zijn. De Romeinen mochten later ook meedoen, maar zij waren dan ook de baas in de wereld van toen. Vrouwen mochten niet meedoen, zij mochten de spelen niet eens bijwonen.

De reden was niet gelegen in het feit dat de mannen naakt streden. Neen, de agonen (wedstrijden) waren een mannenaangelegenheid, de vrouwen hadden hun eigen spelen ter ere van Hera; de afstanden die zij daarbij moesten afleggen waren korter.

De Olympische Spelen waren enkel sportieve kampen, er werd niet gestreden tussen dichters en musici, Olympia had geen theater. Wel zijn de spelen beroemd gemaakt door grote dichters. Schrijvers en redenaars profiteerden van de grote toeloop naar Olympia om er voordrachten te houden en staatslieden maakten van de gelegenheid gebruik zich te 'vertonen'. Na 'Salamis' werden de Spelen bijna een dag onderbroken omdat de menigte niet ophield de held van Salamis, Themistokles, toe te juichen.

Zoiets is ook onze tijd niet vreemd: kunstenaars, zangers, dansers, pianisten krijgen een kans bij de opening en de sluiting van de Spelen en de staatslieden halen de Spelen wat graag naar hun land tot meerdere eer en glorie van zichzelf. Dat kon Nero trouwens nog niet; hij moest naar Olympia komen om als wagenmenner te schitteren. De lafhartige Grieken stelden wel de Spelen voor hem uit en toen hij in de met tien paarden bespannen wagen op zijn neus ging, kreeg hij tóch de lauwerkrans.

Om de lauwerkrans draaide aanvankelijk alles. Het was overigens geen krans van laurierbladeren zoals in Delphi, maar van bladeren van de heilige olijf. Daarvoor had men alle inspanning over, dat was de enige beloning.

Langzaam aan groeide de 'prijs', eerst mochten de winnaars op de vijfde dag aanzitten aan een feestmaal, toen mochten zij in Olympia een standbeeld voor zichzelf laten oprichten, waarop hun naam vereeuwigd werd. Wanneer ze drie keer hadden gewonnen, mocht dat standbeeld pas hún gelaatstrekken vertonen! Steeds meer werd de olympionikes (Olympisch winnaar) een nationale held. De eigen stad liep uit om hem te verwelkomen, ja, men brak soms voor hem een aparte ingang in de stadsmuur uit. Men ging hem overladen met geschenken, vaak leefde hij voor de rest van zijn leven op kosten van de gemeenschap.

Maar het chauvinisme deed langzaam aan afbreuk aan de Spelen; professionalisme werd geruisloos geaccepteerd en geld ging dus steeds een grotere rol spelen; hoewel steeds gestraft, kwam omkoping voor. Manolis Andronicos, professor in de archeologie te Thessaloniki, spreekt over de Spelen (de wedstrijden!) als over een uiting van de Griekse levenshouding: 'de levenshouding van een vrij man die zich meet met zijns gelijken, naakt en niet gehinderd door iets wat niet tot zijn lichaam behoort, zich enkel richtend naar de regels van het spel en op het ene doel: het winnen van de olijfkrans, m.a.w. een zuiver morele overwinning'.

Maar toen Theodosius, de christenkeizer in 393 de Spelen verbood, was er al weinig van over; het enthousiasme was getaand, enkele malen had men ze al overgeslagen en de kijkers bleven weg. Men heeft 293 Olympiades geteld.
In die tijd is het bijna steeds gelukt om tijdens de Spelen een soort van godsvrede in te stellen en onderlinge geschillen ter plekke te bespreken. Dat is óns in onze eerste eeuw van de Olympische gedachte bij lange na niet gelukt. Sinds de idealist Pierre de Coubertin de Spelen tot leven riep, zijn er twee wereldoorlogen geweest waardoor de reeks onderbroken werd, werden meerdere Spelen gedevalueerd door 'politieke' afwezigheid en iedereen zal zich de bloedige Spelen van München herinneren.

Het professionalisme is terug, het nationalisme ook, corruptie in welke vorm dan ook is er volop. Dáártegen hadden de Grieken wel een goed middel: een oneerlijke atleet moest in Olympia een Zeusbeeld plaatsen bij de ingang van het stadion; zíjn naam stond er 'ten eeuwigen dage' op en... die van zijn vader, en iedereen wist waarom. Maar daarvoor moet je één Olympia hebben en tot nu toe wil elk land zíjn Olympische Spelen, liefst grootser en duurder dan de vorige.