De omgeving van Delphí, vooral in oostelijke richting, is iets bijzonders.
Als u vertrekt uit, en nog meer als u terugkomt in het heiligdom, zult u zeker begrijpen waarom de Grieken in dit gebied de aanwezigheid van zoveel goden voelden, waarom zij meenden de Muzen te horen zingen en waarom hun Bacchanten de bergen introkken om daar te dansen met god Dionysos.
De natuur is hier zo wondermooi dat bij het zien ervan een ervaren van het goddelijke voor de hand ligt. Soms werd de oude Griek overweldigd door de grootheid van het panorama en voelde hij zich klein, nietig en verloren... Dat gevoel van nietigheid deed hen huiveren tegenover die machtige natuur.
Die macht noemde hij het 'Al', 'to Pan', en soms sloeg die huiver over in een 'panische' angst.