...dan pakt uw campingvakantie goed uit!

Het Myceense Tiryns

De beste indruk van een Myceens paleis krijgt men in Pylos, waar de Amerikanen een paleis hebben opgegraven dat niet geheel ten onrechte het paleis van Nestor wordt genoemd. Nestor kent u wel: hij was de oudste van de koningen die tegen Troje optrokken, de oudste en (dus!?) de eerbiedwaardigste. Vandaar dat wij nog altijd spreken van de nestor van een gezelschap.
Maar het 'zandige Pylos' zoals Homerus het noemde, is erg ver weg, zelfs voor reizigers door Griekenland. Dicht bij Asiní echter ligt Tíryns, een goede tweede.

Omhoog naar het fort is een talud waarover vroeger de strijdwagens konden rijden. Je ziet er onmiddellijk de uitgekookte militaire opzet van in. Voor binnendringers was een benadering van het fort over dat talud geen pretje. De soldaat droeg immers zijn schild gewoonlijk in de linker-, zijn zwaard in de rechterhand. Maar rechts van boven keken de verdedigers op je neer en dan schoten ze. Vlak voor de twee reusachtige poorten moesten de aanvallers eerst een haarspeldbocht naar rechts nemen en waren op dat moment open doelwit voor de verdedigers.
Alles wijst op sombere kracht en weerbaarheid: de hoge ligging (vroeger) pal bij de zee, waardoor de weg naar Naúplia (Náfplio) en Mycéne gecontroleerd werd, de reusachtige blokken steen, die zonder cement in elkaar klemmen en muren vormen van bijna tien tot bijna twintig meter dik. Het is onvoorstelbaar dat zo'n fort ooit kon 'vallen'. Maar noem eens één vesting die nooit gevallen is. In elk geval: Tíryns, deze paleisburcht, bestond van 1400 tot ongeveer 1200 v. Chr.; toen werd alles verwoest door de laatst binnendringende Grieken, de Doriërs. Later heeft er nog een tempel gestaan, maar Pausanias, de reisleider in het oude Griekenland, zag in de tweede eeuw na Christus nog slechts hetzelfde als wij nu zien.

Eenmaal binnen de poorten kan men door de lange, gewelfde gangen met voorraadkamers lopen, die men ook wel kazematten noemt. Ook hier weer die reusachtige stenen. Pindaros, Griekenlands grootste dichter, suggereert dat dat alles door de Cyclopen, de eenogige reuzen, op elkaar moet zijn gestapeld. Ja, het ziet er inderdaad allemaal wat 'unheimisch' uit; maar u moet niet vergeten, dat dit alles glad was en bepleisterd, het zag er zeker netjes uit.
Eenmaal bij het paleis moet men dat zeker realiseren: de in de zon gebakken stenen waren niet alleen bepleisterd maar ook voorzien van fraaie fresco's. Er zijn er nog van over, fresco's van een berenjacht, fresco's met hofdames; u kunt ze zien in het Nationaal Museum in Athene.

Midden op een groot plein, omringd door zuilen, stond een offeraltaar en vandaar loopt u naar het 'megaron', het woonvertrek. Daar leefde de koninklijke familie. De basis van de koningstroon is nog zichtbaar. In het midden lag de haard, een ronde plaat van klei tussen vier zuilen, die het dak schraagden. Via een opening in dat dak kon de rook weg. Links en rechts waren kamers; rechts bijvoorbeeld was een klein megaron met aangrenzende vertrekken voor de vrouwen. Verder waren er ondergrondse waterputten en een geheime achteruitgang. Sinds de zee zich verder heeft teruggetrokken, ligt de steenmassa wel helemaal kaal en grimmig in een vlak landschap, geen vrolijk gezicht. Wie zou er op het idee gekomen zijn om aan de voet hiervan, een moderne, dus - in Griekenland - sombere gevangenis te bouwen?
Volgens sommige legenden zou de held en later god Herakles hier geboren zijn. Maar dit verhaal gaat te lang duren! Herakles moest immers in opdracht van Eurystheus, de koning van Tíryns, liefst twaalf moeilijke werken uitvoeren, zoals het stelen van de helhond Cerberus, het reinigen van de Augiasstal.