
Ali Pasha van Tepelene was tijdens zijn leven (1740-1822) reeds legendarisch.
Zo zou hij afstammen van Alexander de Grote en van Pyrrhus, de man van de overwinningen van die naam. In Ali's volledige naam 'Ali Aslan Burrous' zouden de namen van Alexander en Pyrrhus nog herkenbaar zijn.
Tussen hem en deze grote voorvaderen duikt dan nog de naam van Skanderbeg op - 'Alexander bey', Albanees vrijheidsstrijder en kampioen voor kerk en paus. Nu dit laatste was Ali bepaald niet. Hij was Mohammedaan en Turk met de Turken.
Door intriges en laster komt hij steeds in hoger aanzien bij de sultan en als hij deze geholpen heeft in de oorlog tegen de Oostenrijkers, wordt hij tot pasha van Tríkala benoemd. Onmiddellijk begint hij aan de uitbreiding van 'zijn' gebied en pakt van een andere pasha Ioannina af.
Ioannina wordt zijn hoofdstad en de kleine despoot maakt zich steeds onafhankelijker van zijn grote baas in Constantinopel. Hij collaboreert met Napoleon maar pakt later van de Fransen Préveza af, hij marchandeert met de Engelsen en die verkopen(!) hem Párga. Voor hem waren Christenen een probleem en op zijn manier werkte hij druk aan de 'Endlösung' van dit vraagstuk door bijvoorbeeld de stam der Soulioten bijna uit te roeien.
Tenslotte kreeg de sultan er genoeg van en stuurde zijn opperbevelhebber in Griekenland, Hurshid Pasha op hem af. Twee jaar lang werd Ioannina belegerd en Ali aarzelde niet om vanuit het froúrion, het fort, de stad woonwijk na woonwijk in brand te schieten. Zijn dood was 'schilderachtig'. Hurshid Pasha stuurde zijn hoofd, overdadig getooid met sieraden, tezamen met zijn harem naar de sultan.
Toch heeft deze man in twee opzichten de Grieken een dienst bewezen.
In één opzicht heel bewust: hij bracht Ioannina tot hoge bloei. Hij kon zelf niet schrijven, maar steunde wetenschap en kunst. De scholen van Ioannina waren beroemd. Tegelijkertijd ook werd de stad een centrum van handel en nijverheid.
Verder bewees hij zonder het te weten de Grieken nog een tweede dienst: de Griekse opstand tegen het Turkenregiem, die in 1821 was uitgebroken, voer er wel bij toen de sultan zich gedwongen zag een groot leger tegen hem in te zetten en zelfs een aanzienlijk deel van de Turkse vloot te stationeren voor de kust van Epirus.