Koróni was een fort; Koróni en Methóni waren de twee grote wachters aan deze zuidwestkant van de Balkan. Zij beschermden de zeeweg, boden een veilige haven en waren drukke marktplaatsen.
Koróni is oud, heel oud. Zo'n 2500 jaar geleden kwamen kolonisten uit Asini hier aan.
De geschiedenis praat daarna pas weer van Koróni wanneer de Frankische kruisvaarders van de vierde kruistocht, die alles wilden veroveren behalve het Heilig Land, het komen bezetten. Maar dan zijn de Venetianen er als de kippen bij, en later weer de Turken en de Genuezen, de laatsten onder leiding van een huurlingengeneraal, een zogeheten 'condottiere': Andrea Doria. Er is vaak, lang en wreed om het fort gevochten. De Venetiaan Morosini bracht, toen hij weer eens het stadje had ingenomen 1500 Turken om het leven; een etnische zuivering noemt men dat tegenwoordig.
Als handelsplaats was Koróni bekend om een bijzonder exportproduct. Behalve olijfolie produceerde men in de streek namelijk cochenille, een karmijnrode of scharlaken verfstof, gemaakt van... gedroogde luizen.
Men verfde er wol en zijde mee, totdat andere, goedkopere verfstoffen werden uitgevonden.
Het stadje ligt gedeeltelijk binnen het fort, gedeeltelijk aan de buitenkant tegen de muren. Het is schilderachtig, zo goed als zoveel plaatsjes en plekjes in Messinië. Het fort, waaraan Byzantijnen, Venetianen en Turken bouwden is imposant.
Binnen de muren staan kerkjes en een nonnenklooster. Pal achter de Venetiaanse hoofdpoort verheft zich een kerk met vijf koepels. Deze moet herinneren aan de laatste strijd om Methóni, toen hier Griekse vrijheidsstrijders in 1821 vrijwillig de vuurdood kozen boven capitulatie aan de Turken, terwijl deze buiten hun geestelijke leiders afslachtten.