In de Turkse tijd kende het zijn grootste voorspoed...
Ooit had n.l. een Turks vizier, die de toorn van zijn sultan over zich had afgeroepen, daar zijn toevlucht gezocht en gevonden. Toen hij weer in de gunst was gekomen bij zijn hoogste baas, vroeg hij zijn vroegere gastheer een wens te doen, dan zou hij die vervullen.
De man vroeg de vrijheid voor zijn stad en Métsovo wèrd vrij en geen Turk durfde er nog te komen, behalve op het einde van de Turkse tijd - natúúrlijk - Ali Pasha.
De nationale vijanden hadden het vaak te kwaad met Métsovo. In 1940 profiteerden de Italianen van Wereldoorlog II en vielen vanuit Albanië Griekenland binnen.
Met reuzenletters, gemaakt van witte rotsblokken, schreven de Grieken 'óchi', 'neen!' op de berghelling van Epirus, bij Kalpaki. En voor de Italianen bleef het neen: hun offensief strandde in die bergen, waar zij, zonder munitie, crepeerden van de kou. Maar de Grieken hadden wèl kogels, granaten en ook warme kleren: de vrouwen van Métsovo droegen die op hun schouders over de dik besneeuwde, smalle muildierpaden naar hun mannen, juist zoals zij in vredestijd plachten te doen met de post.
Ook de Duitsers, die tenslotte het karwei voor de Italianen opknapten, zagen dit dorpje het liefst over het hoofd.
De Efzonen met hun korte plissérokjes en pompoenschoenen vormen nog heden ten dage de erewacht bij het nationaal monument in Athene.
Uit respect voor de dappere Vlachen worden nog steeds veel van deze wachters gerecruteerd uit Métsovo en omgeving.