Wat hebben Schliemann en de vele grote namen na hem in Mykene gevonden? Een stad zoals beschreven in de gedichten van Homerus, een cultuur zoals de dichter, wie hij verder ook was, moet hebben gezien in de paleizen, het huisraad en de wapens van de 'homerische' helden. Het wás een Griekse beschaving, maar een wezenlijk andere dan die wij kennen door de tempels en de beelden van de klassieke tijd.
Die beschaving is enigszins te vergelijken met onze riddertijd, zij het dat de bewoners van de Myceense en andere burchten uit die tijd bijna steeds onafhankelijke vorsten waren, 'koning' of 'heerser over mannen' geheten. En die heersers over betrekkelijk kleine stadstaten waren in elk geval rijk, getuige de kostbaarheid van hun wapens: dolken ingelegd met goud en elektron (een mineraal mengsel van goud en zilver); getuige ook de andere kostelijke grafgiften als gouden bekers, heel sierlijk met prachtig drijfwerk, gouden vazen in de vorm van een stierenkop, gouden borstsieraden, diademen, ringen, zegels en... gouden dodenmaskers. Mykene heet bij de dichter niet voor niets 'het goudrijke'. Van die rijkdom getuigen ook nog de fraaie fresco's in hun paleizen en hun kolossale koepelgraven.
Die heersers en hun steden waren ook zeer expansief in iedere betekenis van het woord. Hun massieve burchten spreken duidelijke taal: zij hebben zich vaak moeten verdedigen tegen elkaar. Maar zij waren ook 'expansief' door hun handel. Op het vasteland en op de eilanden vindt men overal hun nederzettingen. Vandaar dreven zij handel met de grote rijken van het Oosten en met het verafgelegen Westen.
Uit Kreta importeerden ze vaatwerk én de ideeën voor hun eigen kunst, uit Egypte goud, uit Syrië ivoor en zilver, uit Cyprus koper, uit het verre, donkere Westen amber.
Die handel heeft hen zeker ook tot oorlogen gedreven: de Trojaanse oorlog was waarschijnlijk een handelsoorlog en piraterij is hun ook niet vreemd geweest. Op door branden hardgebakken en geblakerde kleitabletten staat het relaas van hun bedrijvigheid, hun rijkdom en macht geschreven. Het is geen literatuur, slechts dorre magazijninventarissen zijn het, lijsten van schepen en lijsten van slaven.
Michael Ventris, een Engels architect en taalgeleerde ontcijferde deze in 1952: het bleek oud-Grieks te zijn in een oosters schrift.
Met dit in uw achterhoofd moet u eens door de grote leeuwenpoort Mykene binnenwandelen. Twee leeuwen klimmen boven die poort tegen een zuil op; daarop stond eens een beeld van de Potnia Thèroon de machtige godin van de dieren, tevens beschermvrouwe van de stad. Of was het - wie zal het ooit weten? - het wapen van o.a. koning Agamemnon?
Binnen de zware muren zijn de graven te zien waarin Schliemann meende op het gelaat van die Agamemnon neer te zien, langs het koninklijk paleis, de ondergrondse waterput, de achterpoort van de vesting en de huizen daarbinnen. U zult ook het reusachtige koepelgraf van Agamemnons vader Atreus, of van wie het dan ook mag zijn geweest, kunnen bezoeken.
In 1200 v. Chr. wankelden de burchten door tweespalt en economische terugval. De laatste horden binnenvallende Grieken, de allesverwoestende Doriërs, maakten rond 1100 een einde aan deze grote tijd met haar bijzondere cultuur. Er begon een periode van duisternis, zó duister als de donkerste tijden van de vroege middeleeuwen hier in het Westen niet zijn geweest.
Slechts de legenden leefden voort en pas sinds honderd jaar brengen grote geleerden de Myceense beschaving weer aan het licht... en putten daarvoor ook uit die legenden.