
Er zijn in Budapest acht bruggen over de Donau, waarvan de noordelijkste en de zuidelijkste spoorbruggen zijn. De oudste brug is De Lánchíd, De Kettingbrug, ook wel genoemd naar Graaf Széchényi, die in de eerste helft van de 19e eeuw, toen Hongarije onder het Oostenrijkse juk leefde, veel initiatieven nam om het land vooruit te helpen. Daarmee vormde hij een gunstige uitzondering in de groep van de rijke Hongaarse adel, die zich verder weinig bekommerde om het lot van het gewone volk en die op schandelijke wijze de boeren uitbuitte.
Wat verder zuidelijk ligt de fraaie Érzsébethíd (Elizabethbrug) en meer naar het noorden liggen twee bruggen bij het Margitsziget (Margaretha-Eiland). Aan de zuidpunt van het eiland ligt De Margithíd. Alleen de stadsbus mag van deze brug gebruik maken om op het eiland te komen. De Árpádbrug aan de noordkant vormt de eigenlijke toegang tot het eiland, waar 's zomers veel mensen verpozing zoeken onder het fraaie geboomte.
Het eiland is genoemd naar Margaretha, de dochter van Koning Béla IV, die in 1241 de Mongoleninvasie niet kon keren en die in uiterste vertwijfeling God smeekte deze plaag te doen eindigen. Als tegenprestatie zou hij zijn elfjarige dochter in een klooster plaatsen. Toen de Mongolen vanwege een opvolgingsstrijd het land plotseling verlieten, kwam de koning zijn belofte na en plaatste zijn dochter in het Dominicanerklooster, waarvan u de resten nog kunt zien op het eiland. Margaretha bleef haar leven lang standvastig in het klooster en sloeg zelfs een zeer eervol huwelijksaanzoek van de koning van Bohemen van de hand. Later is ze heilig verklaard.