
Samen met Esztergom, dat als religieus centrum gold en nog geldt, was Székesfehérvár van oudsher de stad waar koningen gekroond werden, waar de koninklijke attributen (kroon, mantel en scepter) bewaard werden en waar koningen begraven werden. In de naam van de stad komen de woorden fehér (wit) en vár (burcht) voor. Hier stond het kasteel (vár) van de koninklijke families; wit gold in Hongarije als de koninklijke kleur.
Vanwege de symbolische betekenis voor de Hongaren waren de Turken tijdens de bezetting natuurlijk erop uit de stad zoveel mogelijk te vernielen. Dat is hen goed gelukt. Van de vroegere ongetwijfeld mooie bouwwerken is niet veel overgebleven. Aarde en puin zijn over de oude koningsgraven uitgestort en pas in onze tijd is men bezig de oude pracht, of wat daarvan nog rest, op te graven. In de ruďnetuin, een soort openluchtmuseum, kan men aanschouwen wat er zoal blootgelegd is.
Natuurlijk zijn er voor de vroegere gebouwen nieuwe in de plaats gekomen. Achter het stadhuis staat de barokke dom met twee torens. In Székesfehérvár werd vroeger recht gesproken. Op 20 augustus, de Hongaarse feestdag ter ere van de landspatroon St. Stefanus, moest hier door de Hongaarse koningen recht gesproken worden. Die dag was hun aanwezigheid in de stad vereist.
Enkele gebouwen in de stad: het commitaatshuis (zeg maar provinciehuis) aan het István tér is in classicistische stijl gebouwd. Vlak daarbij staat de karmelietenkerk, waar op de gewelven veel fresco's te zien zijn.
Op het Szabadság tér ofwel vrijheidsplein ziet men het stadhuis, dat uit twee delen bestaat. Het rechterdeel dateert uit 1690, het linker is 100 jaar jonger. Hier bevindt zich ook het bisschoppelijk paleis, gebouwd in een overgangsstijl tussen barok en classicisme.