
In het begin van de 13e eeuw begon men met de bouw van het kasteel in Eger en vanaf 1552 werd het, na de belegering door de Turken, verder uitgebouwd en gemoderniseerd.
In 1552 trokken de Turken met 125.000 soldaten voor de vesting samen. De Hongaarse commandant, István Dobó, wist met slechts 2000 verdedigers de aanvallen af te slaan en de Turken bliezen de aftocht. Volgens het door Géza Gárdonyi geschreven boek 'De ster van Eger', was dit succes vooral te danken aan de vrouwen van Eger. Volgens de legende, mengden zij stierenbloed door de wijn, waardoor de kracht en strijdlust bij de verdedigers toenam.
Maar toen vervolgens grote delen van Hongarije in Turkse handen vielen, moest het kasteel in 1596 worden opgegeven. In 1687 werd het weer door de Habsburgse strijdkrachten heroverd. De Oostenrijkse keizer liet in 1702 de bastions en buitenmuren opblazen, om te voorkomen dat de Hongaarse vrijheidsstrijders ze tegen Oostenrijk zouden gebruiken. Een deel van het complex is weer gerestaureerd en men kan het bezichtigen.