
De geschiedenis van Venetië begint op één van de eilandjes in het grote bekken dat was gevormd door de binnenwateren, 550 km² groot.
In 452 v.Chr. vluchtten de inwoners van Altino, een stad ten noorden van het huidige Mestre, voor de invasie van de Hunnen en wijken uit naar het eiland. Daar stichtten zij Nuova Altino, nu Torcello, één van de meest spectaculaire stukjes land in de lagune. Ook andere bevolkingsgroepen verlieten het vasteland om te schuilen voor de oprukkende barbaren.
Na de val van het West-Romeinse rijk behoorde 'Venetia' tot het Byzantijnse Rijk. In deze provincie trokken in de 6e- en 7e eeuw steeds meer stammen of groepen mensen zich terug op de eilanden in de lagune o.a. om de invallende Longobarden te ontlopen. In de 8e eeuw kwamen de eilanden en schiereilanden in dit gebied tot langzame ontwikkeling en begon men zijn eigen gouverneur te kiezen. Die werd al snel doge genoemd, naar het Latijnse dux = leider.
Het eiland, Rivoalto (= 'hoge oever' en is nu nog steeds het centrum van Venetië: Rialto) werd een van de vaste bewoningen. Het viel met het gehele gebied onder het Byzantijnse gezag. Men dreigde in 827 onder het Frankische gezag te geraken.
In 828 echter namen twee kooplieden het lichaam van de evangelist Marcus mee uit Alexandrië en redden daarmee de religieuze onafhankelijkheid van Venetië en zijn politieke autonomie.
Vanaf dat moment groeide Venetië uit tot een stadsstaat, met steun vanuit Byzantium, met een bloeiende handel en als een belangrijke doorgangsroute voor pelgrims en kruisvaarders. Als zeevarende republiek manifesteerde Venetië zich in de Oriënt, de Dalmatische kust, de Adriatische Zee en was daarmee aartsvijand van steden als Genua en Pisa.
In de 12e eeuw veranderde door de economische ontwikkeling van de stad ook de sociale structuur. Recentelijk rijk geworden families wilden gezag uitoefenen en accepteerden de absolute monarch, de doge niet meer, vooral omdat overal in Italië de vrije steden floreerden zoals Siena en Florence. Er kwamen raden van 'wijzen' die de macht van de doge aan banden legden.
De 14e eeuw bracht zoals in heel Italië, ook in Venetië de pest en daardoor een economische crisis. Oorlogen en ruzies met machtige steden als Milaan en Genua werden frequenter.
In de 15e eeuw was Venetië, door veroverd gebied in de Levant en de van val het Byzantijnse rijk, een van de machtigste stadstaten in Europa. In de 16e en 17e eeuw koos Venetië voor de neutraliteit tussen alle mogendheden die machtsstrijd voerden.
Een economische crisis door een machtsverlies op zee (opkomst van bijv. de Nederlanden) en een pestepidemie brachten vanaf 1630 Venetië in een steeds ondergeschiktere positie op het Europese toneel.
In de 18e en 19e eeuw viel de stad respectievelijk onder het gezag van Napoleon en van de Oostenrijkers. De laatste doge trad af in 1797. In 1866 werd de stad uiteindelijk ingelijfd bij het jonge Italiaanse koninkrijk.