
Ostia is weliswaar een dode stad, maar het herinnert honderdvoudig aan de vitaliteit waarvan het eens bruiste.
Een doodstille stad, waar je mijmerend kunt luisteren naar de wind in de cipressen en pijnbomen die donker en strak getekend staan tegen de stralend blauwe lucht. Deze eerste, ingetogen, kennismaking met een dode stad zult u nooit vergeten.
Ostia, dat betekent 'monding', hier dus de Tibermonding.

Toen Rome van eenvoudige overslagplaats aan de Tiber een stad werd van aanzien en macht en zich begon uit te breiden, had het behoefte aan een zeehaven.
In de vierde eeuw voor Christus werd met dit doel voor ogen Ostia gesticht. Daar legden de schepen aan die Rome kwamen bevoorraden. Tevens was het een militaire post, die Rome moest beschermen tegen de gevaren vanuit zee.
Een eeuw later leverde de Romeinse boerensoldaat al zijn eerste zeeslagen en Ostia werd toen ook marinebasis.
Toen Rome op zijn hoogtepunt was (3e eeuw na Christus) telde Ostia een honderdduizend inwoners. Badhuizen, theaters, tempels voor inheemse en uitheemse goden, voorraadschuren, sportterreinen, hotels en kroegen sloten zich aaneen, een echte havenstad met al die bonte verscheidenheid van wonen en werken, van leven, genieten en geloven die bij zo'n stad past.

Maar intussen was de Tiber allang geen goede aanlegplaats meer voor Romes reusachtige handelsvloot en keizer Claudius bouwde een nieuwe haven, rechts van de Tiber met een verbindingskanaal naar de rivier. En ook die haven groeide en bloeide en kreeg van keizer Constantijn stadsrechten, die hij overigens aan Ostia ontnam.
Nog geen eeuw later is het verval van Ostia in volle gang. De mensen verlaten de stad, ze wordt langzamerhand gebruikt als steen- en marmervindplaats en verder wordt ze vergeten. De eeuwen dekken de stad toe.
Vanaf de laatste jaren van de vorige eeuw wordt ze door systematische opgravingen voor ons weer zichtbaar en met haar het leven in een Romeinse stad.

