De keizer was in zijn tijd van grote betekenis; hij bedacht nieuwe bestuursvormen en een nieuw belastingsstelsel en gaf aanzet tot burgerlijke wetgeving, rangen en standen werden ingevoerd. Het succes van Diocletianus steunde op het feit dat hij de noodzaak van collegialiteit in het keizerlijk bestuur erkende. Hij stelde zijn vriend Maximianus als medekeizer aan en in het jaar 293 nog twee 'ceasares', de echtgenoot van zijn dochter Valeria, Galerius en Constantius Chlorus. Maximianus nam de zorg voor het westelijk deel van het Rijk op zich en versloeg de gevreesde Alemannen, terwijl Diocletianus zich met de Perzen aan de oostgrens bezighield. Wat de historici de 'Tetrarchie' (Bewind van vier) of de machtsverdeling in vieren noemen, kwam tot uiting door de 'adoptie' van de lager in rang staande Constantius en Galerius. Galerius bevocht de Goten en Constantius heroverde Brittannia en behaalde successen aan de Rijngrens. Constantius verstiet zijn vrouw Helena, die haar zoon Constantijn (de latere Constantijn de Grote) meenam naar het oosten waar hij zijn opvoeding genoot.
Diocletianus maakte het Romeinse Rijk tot een absolute monarchie en voerde zelf met veel poespas een uitgebreid hofceremonieel.