
In het historische kernland Neder-Oostenrijk, is westwaarts de beroemde Wachau en oostwaarts het al even bekende Wienerwald. De bevolking is zeer sterk gemengd, wat ook in de vorm van de boerenhoeven tot uitdrukking komt. Er was hier oorspronkelijk een sterke Duitse instroming, vooral uit Beieren, waar zich later vele Slavische en Hongaarse invloeden bijvoegden. In de tweede helft van de 19e eeuw vestigden zich 600.000 Tsjechen in Wenen, waarvan velen weer doorstroomden naar de wijde omgeving van Wenen.
Hier is het allemaal begonnen met Oostenrijk en aanvankelijk nog onder Beierse opperheerschappij. Nadat de plunderende en verwoestende Hongaren bedwongen waren en vaste woonplaatsen hadden gekozen op hun laagvlakte aan de Donau, wordt in 976 een markgraafschap Ostarrichi gemeld. Vazallen van de Beieren moeten hier de grens verdedigen tegen de 'gevaarlijke' Hongaren.
Het geslacht Babenberg zetelt eerst in Pöchlarn in het uiterste westen van hun graafschap. Vervolgens in Melk, dan een flink eind verder de Donau af in Tulln, terwijl ze hun gebied ook al verder naar het oosten uitbreiden. Leopold III van Babenberg vestigt zich op de naar hem genoemde berg bij Wenen.
In 1156 resideren zij in Wenen en hebben ze de hertogstitel verworven, waardoor het gebied onafhankelijk wordt van Beieren. In 1207 wordt Wenen - na Keulen - de grootste stad van het Duitse Rijk genoemd en hieruit blijkt hoezeer de Babenbergers hun hertogdom tot bloei hebben gebracht.
Na verwoestingen door de Hongaren worden nu vele kloosters, abdijen en 'Stifte' gebouwd (bijv. Melk) en men spreekt dan ook reeds van 'Österreich-Klösterreich'.
In 1246 sterft de laatste Babenberger kinderloos en daarmee is voorlopig een periode van bloei en vooruitgang afgelopen. Weliswaar weet Rudolf van Habsburg in 1273 het gebied aan zich te trekken, maar het zal nog lang duren voor dit uit Zwitserland afkomstige geslacht kan voortbouwen aan de verdere uitbreiding van Oostenrijk.
Van Ybbs tot Melk wordt het gebied aan de Donau de Nibelungengau genoemd. Het omstreeks 1200 tot stand gekomen Nibelungenlied verhaalt, dat Kriemhilde vanuit Bechelaren (het hierboven genoemde Pöchlarn) gevoerd wordt naar Etzel (Atilla?), de koning der Hunnen (Hongaren?) en met hem huwt.