
Geschiedenis
Het klooster van Alcobaça is de vrome prijs die een koning aan de hemel betaalde voor 'bewezen diensten'.
Alfonso Henriques beloofde dat de cisterciënzer monniken zich hier mochten vestigen, als het hem gelukte de Moren uit het strategisch gelegen Santarém te verjagen.
De Bourgondiër Alfonso stond overigens bij die monniken al in het krijt omdat zijn landgenoot Bernardus van Clairvaux, de stichter der cisterciënzers, zijn voorspraak was geweest bij de paus. En die had hij hard nodig gehad toen hij ten koste van de Spanjaarden een onafhankelijk koninkrijk stichtte.
Maar goed, Santarém werd in 1147 bevrijd en het volgend jaar legde de koning de eerste steen voor het klooster. Op de keper beschouwd is het geen dure gelofte geweest en bracht de bouw van het klooster hier een hoge rente op. De cisterciënzers immers brachten het oorspronkelijk woeste land in cultuur.
Alcobaça (geheten naar de twee rivieren Alcoa en Baça) werd het centrum van een zeer vruchtbaar landbouwgebied, dat de streek rijkelijk voorzag van wijn, fruit en groenten. De monniken hadden een apotheek, zij gaven onderricht aan de jeugd - in feite hadden zij de eerste openbare school - zij openden een landbouwschool en hadden een bibliotheek die lange tijd de grootste was van het land.
Het klooster is steeds uitgebreid en verfraaid; men bouwde er tot aan de 19e eeuw. En uitbreiding was nodig: het aantal monniken liep op tot 999, het maximum dat de orderegel toestond. De verfraaiing en het geld ervoor kwamen vanzelf.
De abt van het klooster nam een vooraanstaande plaats in onder de groten van het rijk en oefende namens de koning het gezag uit over niet minder dan dertien steden, drie havens en twee kastelen. De rijke inkomsten daaruit werden nog eens door de koningen aangevuld met geschenken en privileges, omdat zij zich op Alcobaça terugtrokken wanneer zij rust nodig hadden en omdat dit klooster door hen was uitgekozen als laatste rustplaats voor de leden van hun dynastie.
Klooster wordt kippenfarm
Natuurlijk is er veel vernield door de bekende oorzaken, n.l. door de aardbeving (1755), door de inval van de Fransen in 1810 en doordat het volk na de secularisatie van de kerkelijke goederen en de verdrijving van de monniken (1834) er aan het plunderen sloeg. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat die plunderingen door het volk ook een keerzijde hadden.
De sobere en spirituele leefwijze die Bernardus van Clairvaux met zijn kloosterregels bedoeld had, was in de loop der eeuwen danig in onbruik geraakt. Van de drie grote geloften die de monniken moesten afleggen wanneer zij intraden, kwam steeds minder terecht. Sommige schrijvers spreken van een leven van plezier en losbandigheid. In de allerslechtste tijden kozen de monniken voor meer gemakkelijke bezigheden.
Eind 18e eeuw hadden ze van het klooster een enorme kippenfarm gemaakt en zaten er duizenden en duizenden konijnen in de hokken.