
Het hart van de stad Santiago de Compostela en het eindpunt van de Camino (pelgrimsroute) is natuurlijk de kathedraal, waar het gebeente van de apostel rust.
Alfonso II bouwde op deze plaats een eenvoudig kerkje, Alfonso III een grote basiliek en, nadat de Moren onder de verschrikkelijke Almanzor hier in 997 voor het laatst hadden huisgehouden, werd tussen 1075 en 1128 de huidige kathedraal gebouwd, een wonder van Romaanse en barokarchitectuur en dito beeldhouwwerk.
De voorgevel aan de Plaza del Obradoiro is barok, heel aards, heel triomfantelijk, een overweldigend saluut aan de pelgrim die eindelijk zijn einddoel heeft bereikt. En betreedt die pelgrim vervolgens door de hoge deuren het voorportaal, dan moet hij zich in de hemel wanen. Immers dat voorportaal, de Portico da Gloria, is van een bovenaardse schoonheid. Daar verwelkomen u, sereen glimlachend, Christus en Jacobus, meer dan tweehonderd engelen, aartsvaders, profeten en apostelen.
Alle ruimte die de Romaanse kunstenaar niet meer kon gebruiken voor zijn heiligen heeft hij verder opgevuld met monsters en mythische dieren die de verhevenheid en de onaantastbaarheid van de hemelse gestalten nog een extra dimensie geven.
Binnen de muren van het heiligdom moeten de geweldige afmetingen, de Capilla Mayor met het rijk versierde beeld van de apostel en het reusachtige baldakijn boven hem, dat gevoel van bovenaardsheid nog versterken.
Denk niet dat u hiermee het meeste wel gezien hebt: daar is de crypte, waarin de zilveren schrijn staat met de stoffelijke resten van de apostel; daar zijn de talloze kapellen, de een al kostbaarder of kunstiger uitgerust dan de ander; daar zijn de schatkamers en daar is het claustro (kloosterhof) met bijvoorbeeld een museum waarin een geweldige verzameling tapijten, o.a. ontworpen door Goya.