
Het klooster behoorde tot de orde van de cisterciënzers, een religieuze orde, die in 1093 werd gesticht door een zekere Robertus, benedictijner abt van Molesme. De orde streefde naar een herstel van de bestaande kloosters, die steeds weelderiger werden. Het was een protest tegen de grote en rijke kloostergebouwen van de abdijen van de cluniacenzers en zij had tot doel om de kloosters terug te brengen tot het oorspronkelijke armoede-ideaal.

De reeds genoemde Robertus stichtte een klooster in Cîteaux, in Frankrijk. In het begin liep dat zeer kalm, tot er in 1112 een 22-jarige ridder intrad, samen met 29 familieleden en vrienden. Deze ridder was Bernardus van Clairvaux. Hij kreeg deze naam, omdat hij in 1115 in Clairvaux een abdij stichtte.
Dat was de eerste van een lange rij abdijen, de ene stichting volgde op de andere. Deze cisterciënzer kloosters hebben veel invloed gehad. Er is geen kerkelijke instelling, die aan hun invloed voorbij kon gaan. De stichting werd een groot succes.

Het is misschien wel leuk om te weten, dat Schiermonnikoog zijn naam te danken heeft aan deze monniken van de cisterciënzers. Zij droegen grijze pijen en stonden bekend als de 'schier-monniken' wegens die grijze kleding. Zij woonden ook op het eiland en veel andere plaatsen in Europa.

Het streven was eenvoud en armoede. Zinloze versiering werd veroordeeld, omdat dat in de eerste plaats beroving van de allerarmsten is. Decoratie werd gezien als een valstrik om het volk aalmoezen te ontfutselen.
Een uitspraak van Bernardus was: 'Het kerkgebouw heeft schitterende muren, maar voor zijn allerarmsten heeft het niets. Het hult zijn stenen in goud, maar laat zijn kinderen naakt. Van de behoeftigen wordt afgenomen, wat de ogen van de rijken moet strelen'.

Gesticht vanuit deze gedachte, liggen de kloosters meestal op oorspronkelijk waterrijke en zeer eenzame plaatsen. Ze zijn onversierd en hebben geen torens. De koorsluitingen en de kapellen zijn rechthoekig. Een logisch en functioneel, maar sober gewelf werd toegepast. Althans, dat was de oorsprong. Maar drie generaties later verslapte de oorspronkelijke opzet en ook deze kloosters, waar in het begin nog geen beeld mocht staan, werden steeds meer versierd. Wanneer Bernardus een eeuw na zijn stichting van Clairvaux gehoord zou hebben, wat er van zijn abdijen geworden was, dan zou hij zich in zijn graf hebben omgedraaid.

Het klooster is bezweken voor de rijkdom. Koningen gingen er wonen en werden er begraven. Veel goud heeft er geblonken en heeft het armoede-ideaal van de oorspronkelijke stichters bedolven.
Toch is hier en daar, in de oudste gedeelten, nog iets van dit streven van Bernardus en de zijnen terug te vinden.