
Over de tocht naar Peñalba de Santiago (de weg ten zuiden van Ponferrada, de LE 161), schreef Cees Nooteboom in het boek 'De omweg naar Santiago' het volgende:
'In dat andere Santiago, dat van Peñalba, heerst de stilte van de dood. Ik heb mijn auto aan het begin van het dorp laten staan, naast de enige andere. De hoofdstraat is een pad. Het ruikt naar koeien. Ik weet waar ik ben, in het domein van de slaap. Huizen van de grofste steen, duistere stallen, leien daken, de vloeren van de houten balkons werpen de schaduw waarin ik verkeer, een zuilengalerij. De kerk is dicht en zal pas om vijf uur opengaan, dat staat op een kartonnen bord.
Wat ik zie is de dubbele Arabische poort, twee ijle hoefijzers die op drie smalle zuilen rusten, de sier van de oosterse wereld hier plotseling aangeland tussen de ruwe, uitgehakte stenen die de kleur van bergen rondom hebben. Toppen in de verte, kale aangevreten hellingen, de slingers van de doolhofweg waarover ik gekomen ben. De leisteen van de daken onder me schittert als een oude zwart-witfilm. Er beweegt niets dan deze weerschijn van hitte. Ik klim achter de huizen naar boven en ga in een weiland zitten bij een stel bijenkorven.
'Valle del Silencio'. Het klopt. Dit dorp hangt erin als een roofvogelnest. In het boekje dat ik gekocht heb zie ik het leven dat nu slaapt op foto's. Een paar mannen met een vreemd kegelspel. Een vrouw die de melk schudt in een dichtgenaaide schapenhuid om er boter van te maken. Mannen die met dorsvlegels op het weinige koren inslaan. Oude woorden, allemaal nog geldig, kaf, vlegel, hekel, waterput. De laatste keer dat ik op deze reis een dorsvlegel gezien heb, was op een Romaanse muurschildering in de San Isidoro in León, een allegorische voorstelling van de maand augustus. Dat was de twaalfde eeuw, het kan zo nog even. Er is nog geen riolering in Peñalba, en geen telefoon. Elektriciteit sinds 1977.
In 1978 is de weg geschikt gemaakt voor auto's, maar hij is niet in elk seizoen even begaanbaar. Hoe het hier in de winter moet zijn durf ik niet te bedenken.
Omstreeks vier uur, als de hitte van de middag ook mij tegen het grasveld heeft geslagen, zie ik tussen de klavers door hoe een oude man langzaam op de kerk toeloopt. Hij heeft mij natuurlijk al lang gezien, allemaal hebben ze vraatzuchtig door hun luiken zitten loeren naar de zo eetbare vreemdeling, maar niemand heeft bewogen. Nu zitten ze er ineens, oude vrouwtjes, al driehonderd jaar dood maar nog steeds bordurend, mannen in gesprek over de vreselijke gebeurtenissen in Frankrijk, waar ze de koning onthoofd hebben, twee koeien die een nieuwe en geurige loper voor me hebben uitgelegd waar ik omheen moet om bij de kerk te komen. Hij is nors, de oude, de kerk gaat pas om vijf uur open, maar hij heeft de sleutel al in zijn hand. Knoestige hand, heet dat. En roestige sleutel. Als hij de kerkdeur ermee opendoet valt er een dubbele Arabische schaduw op de stoffige kerkvloer, dat is heel mooi. Binnen zetten andere bogen, nu eerder Visigotisch, het spel voort. Het is klein binnen, eenzaam, beschermd.
De afstand tot de triomfalistische mastodont van Astorga is niet met lichtjaren te meten. Ook geloof kan van smaak veranderen, of een soortelijk gewicht krijgen dat langs de hoogmoed scheert. De lijst waarin de twee halve Arabische bogen gevangen zijn, zwenkt op het laagste punt horizontaal uit en klimt dan omhoog om een perfecte rechthoek te vormen, dat is wonderlijk. Hetzelfde gebeurt met de lijst rond de enkele boog bij altaar. Eén enkele lijn, die met een mathematische, rechthoekige greep die enkele en dubbele zwelling in bedwang houdt, het kan niet eleganter en effectiever. Bravo, mompel ik tegen de ontwerper in het dodenrijk, en dan heb ik ineens niets meer te doen in Santiago de Peñalba. Nog een graf in de buitenmuur, van een 'monnik van Cluny' die daar heel rustig ligt, Sommer und Winter, schlaf wohl, ik ga.'