
Langs de weg die wordt aangegeven met bordjes waarop u de Jacobusschelp ziet, het symbool van de pelgrimage naar Santiago, komt u vanzelf in Villafranca. De naam van het plaatsje herinnert er aan, dat het ontstaan is dank zij de inspanningen van Franse ridders en monniken om de 'Camino', 'Dé Weg' te beveiligen en de pelgrims te verzorgen.
Vijf kerken telt het stadje nog, het bezit verder een kasteel en u waant uzelf in lang voorbije tijden als u op een stil moment door de oudste straten loopt met hun fraaie huizen.
Het eerste dat u ziet als u de stad binnenkomt is het castillo. Vanuit dit kasteel moest de omgeving worden beschermd. Het dateert uit de laatste decennia van de 15e eeuw; de strenge ongenaakbare stijl is een schoolvoorbeeld van de militaire architectuur van die dagen.
Via een steil oplopende straat tegenover het kasteel komt u bij de oudste kerk, de Romaanse Santiago. Met de Puerta del Pardon, de Poort der Vergeving aan de noordzijde is zij een zuiver voorbeeld van een pelgrimskerk. Achter die poort verkregen zieke en stervensmoede pelgrims de volle aflaat die zij niet meer konden halen in Santiago. Het eenvoudige kerkje is als een serene herinnering aan tijden van een groot geloof.
Een andere, bijzondere kerk is de San Francisco. Moorse kunstenaars brachten in dit gotische bouwwerk een mooi houten plafond aan. 'Artesonado' noemt men een dergelijk plafond. De beweeglijke geometrische figuren ervan zijn typisch Moors; u herkent die soms in de tegelversieringen aangebracht door Moorse kunstenaars of door de Moorse kunst geïnspireerd.
Uit de 16e eeuw is er de 'Collegiata', vroeger een abdij van Cluniacenser monniken, die eveneens was gesticht ter bescherming van de pelgrims. De barok is vertegenwoordigd in de San Nicolás, een vroeger jezuïetencollege, en in de Anunciada, beide uit de 17e eeuw.
In alle kerken is veel te zien, maar evenzeer is het de moeite waard een korte wandeling door de stad te maken en bijvoorbeeld vanaf het kasteel door de Salinas naar de Calle del Agua te wandelen.