Deze bijna 100.000 inwoners tellende plaats is een belangrijk industriecentrum (machines, levensmiddelen, muziekinstrumenten, in het bijzonder piano's). De stad is in 1225 als koninklijke stad gesticht en was in de 14e eeuw in leen bij de koningin-weduwen. De Hussietenbeweging had hier één van haar belangrijkste bolwerken. In de 18e eeuw werd de stad in een vesting omgebouwd en pas in 1884 kwam er een einde aan het keurslijf van de vestingwallen en kon ze zich gaan uitbreiden.
Het driehoekige Zizkovoplein heeft aan de westkant een uit baksteen opgetrokken vroeg-gotische Heilige Geest Dom (1307-1463). Daarnaast verheft zich de 68 meter hoge Witte Toren (Bilá vez) uit de jaren 1574-1589 (Gotiek en Renaissance). Het Renaissance raadhuis uit de 16e eeuw werd halverwege de 19e eeuw gerenoveerd.
Aan de zuidzijde van het plein staat de jezuïetenkerk van de Maagd Maria (barok) uit de jaren 1654-1666 en een jezuïetencollege.
In de eveneens barokke voormalige bisschopsresidentie (1709-1716) is nu een schilderijengalerie.
De stad is vooral bekend geworden door de Slag bij Königgrätz in 1866 tussen de legers van Pruisen en Oostenrijk tijdens de oorlog om de hegemonie in het Duitse Rijk, de zogenaamde Brüder-krieg. 8 kilometer ten noordwesten van de stad staat op de berg Chlum een monument, dat aan deze oorlog herinnert en een museum. Voorts een uitzichttoren en op diverse plaatsen op het voormalige slagveld gedenkstenen, kruisen en ossuaria. De beslissende veldslag in deze oorlog vond hier plaats op 3 juli 1866. Het Oostenrijkse leger leed een vernietigende nederlaag en zo verkregen de Pruisen met hun modernere bewapening en hun overmacht de zo begeerde leidende positie in Duitsland.