Boven de samenvloeiing van de Moldau en de Elbe met de beroemde wijngaarden ligt het kasteel Melnik, de verblijfplaats van de vorstinnen en koninginnen van Beieren.
De laatste vorst van de Slavische stam van de
Psovane, Slavibor, huwelijkte zijn dochter Ludmilla uit aan de Boheemse vorst Borivoj.
Vorstin Ludmilla liet de eerste wijngaarden aanleggen en daarmee werd zij de grondlegster van de wijnbouwtraditie die haar neef Wenzel, patroon van de Boheemse wijnboeren, voortzette.
Het kasteel Melnik, dat oorspronkelijk een houten burcht was, werd reeds in de tiende eeuw in Romaanse stijl in steen herbouwd.
Onder de laatste Premislyden werd in de tweede helft van de dertiende eeuw de burcht omgebouwd tot een gotisch kasteel.
Keizer en koning Karel IV bracht in de veertiende eeuw de Bourgondische druif naar Melnik.
Na de dood van de echtgenote van Jiri Podebrad wisselden de bezitters elkaar af. In de zestiende eeuw werd het kasteel omgebouwd tot een renaissance kasteel. In 1579 verkreeg Jiri Popel Lobkowicz het kasteel als verblijfszetel van keizer Rudolf II. In 1594 kwam het kasteel weer in bezit van de keizer. Pas in 1687 kocht graaf Herman Jacob Czernin van keizer Leopold I Melnik inclusief de bezittingen.
De laatste erfgename, gravin Ludmilla Czernin, trouwde in 1753 de vorst August Anton Lobkowicz.
De Melniker stam van de vorsten van Lobkowicz bleef tot 1948 eigenaar van Melnik. Otokar Lobkowicz, de laatste eigenaar van het kasteel eiste het slot, met inbegrip van de wijngaarden, in 1992 op in het licht van de 'terugvordering'.
Thans is het kasteel in het bezit van zijn zoon Jiri die al in 1993 met de renovatie van het slot is begonnen.
Als bijzonderheid kan worden vermeld dat er in de kelder een wijnproeverij is ingericht. Tegen betaling kan men een aantal wijnen proeven.