Karel IV liet dit slot tussen 1348 en 1357 bouwen op een rots hoog boven het riviertje de Berounka. Het was bedoeld als zomerpaleis en bewaarplaats van zijn kroonjuwelen en relieken. De ontwerpers ontwierpen ook de St. Vituskathedraal: Matthias van Atrecht en Peter Parler.
In 1422 trachtten de Hussieten het slot in te nemen, maar de ligging en de zware verdedigingswerken maakten het fort onneembaar.
De kostbaarheden werden in de 17e eeuw naar Wenen en Praag overgebracht, zodat het slot zijn betekenis verloor en in verval raakte.
In de 19e eeuw heeft men door restauraties dit slot, dat wellicht één van de fraaiste ter wereld is, zoveel mogelijk in de oorspronkelijke staat hersteld.
De burcht is op diverse hoogten gebouwd. Via de voorburcht en de verblijven van de ridders en de stadhouder van de vorst komt men in de wat hoger liggende keizerlijke appartementen en de kapel van St. Nicolaas (afbeeldingen van de keizer; een altaarstuk van Tomasso da Modena). Langs een trap komt men bij de eerste toren met de Maria- en de Katharinakapel (deze was voorbehouden aan de keizer).
Van de oorspronkelijke versiering met halfedelstenen is niet veel meer over.
De hoofdtoren tenslotte met zijn vijf etages is het meest bezienswaardig en wel in het bijzonder de H. Kruiskapel. Deze mag helaas niet meer bezocht worden en men zal met videobeelden genoegen moeten nemen. Zodoende kan men niet meer rechtstreeks kennisnemen van de kostbare decoratie en de 128 paneelschilderingen van de hand van meester Theoderik. Boven het altaar was de bewaarplaats van de eerdergenoemde vorstelijke kostbaarheden en relieken. Bij een bezoek is men verplicht zich aan te sluiten bij een rondleiding.