Van het Oude Stadsplein loopt in noordwestelijke richting naar de Moldau de Parizskastraat met ten dele zeer fraaie, soms monumentale huizen, die dateren van het einde van de vorige eeuw, hetgeen ook het Jugendstilkarakter van een aantal ervan verklaart. Deze straat voert dwars door het gebied waar zich eeuwenlang het joodse getto van Praag bevond.
Reeds in de 11e eeuw probeerden joden hier streng gescheiden van de rest van de bevolking zo goed mogelijk hun leven te leiden. Nu eens werden zij daarbij beschermd door de vorsten van Bohemen en de keizers, dan weer werden de bewoners getroffen door middeleeuwse pogroms en moesten zij zelfs het land verlaten, alhoewel deze maatregel naderhand weer ongedaan werd gemaakt. Het mag een wonder heten, dat de inwoners van het getto zich wisten te handhaven.
Pas in 1849 werden zij gelijkgesteld met de overige bevolking en werd het getto het vijfde stadsdeel onder de naam Jozefstad, naar de Keizer, die in de 18e eeuw reeds hun rechtspositie had verbeterd. Op het einde van de vorige eeuw werd het hoofdzakelijk uit krotten bestaande stadsdeel afgebroken, waarbij alleen het joodse raadhuis, enkele synagogen en een deel van het oude kerkhof bewaard bleven (links van de Parizskastraat).
De Oudnieuwsynagoge, die nog steeds gebruikt wordt, zou in de zeventiger jaren van de 13e eeuw gebouwd zijn en is daardoor één van de oudste gotische gebouwen in Praag. Het oudste is de lange voorhal (tongewelf met spitsbogen). De tweeschepige gebedsruimte is van rond 1300. Smalle raamopeningen, die naar buiten toe breder uitlopen moesten het licht uit de synagoge in de wereld laten schijnen.
De bakstenen gevels zijn uit de 14e eeuw en van de latere aanbouwsels noemen we het zijschip (18e eeuw) van waaruit vrouwen de dienst mogen bijwonen. Een centrale plaats in het midden wordt ingenomen door een smeedijzeren hekwerk rond de kansel van waaraf de thora wordt voorgelezen. Een rode vlag met davidster kreeg de joodse gemeente van keizer Ferdinand III voor haar steun in de 30-jarige oorlog (1648).
Tegenover de synagoge staat het joodse Raadhuis, dat Mordechai Maisel, de vermogende burgemeester van het getto in ± 1600 door een Italiaanse architect liet bouwen. Merkwaardig is het uurwerk met carillon uit 1763: een tweede uurwerk met Hebreeuws cijferblad draait 'tegen de klok in'. Het raadhuis doet nog dienst als bestuursruimte voor de joodse gemeente en aangrenzend is de Hoge of Raadhuissynagoge van de hand van dezelfde architect, nu tentoonstellingsruimte voor textiele voorwerpen uit synagogen uit geheel Europa.
Aan de overzijde van de Maislovastraat bevinden zich het Oude joodse Kerkhof en de Klausensynagoge, die op het einde van de 17e eeuw in de plaats kwam van drie kleine gebouwen: een hospitaal, een school en een gebedshuis. Na een restauratie in het laatste kwart van de vorige eeuw verloor de synagoge tijdens de Tweede Wereldoorlog haar oorspronkelijke bestemming en werd zij een opslagplaats voor een grote hoeveelheid voorwerpen, die de Duitsers van weggevoerde joden hadden afgenomen. De nazi's wilden hier een museum oprichten over een 'uitgestorven ras'. De voorwerpen worden nu beheerd door het joods museum. In de uit 1906 daterende Ceremoniehal ernaast worden zeer aangrijpende kindertekeningen uit het concentratiekamp Theresienstadt tentoongesteld.
Tussen de twee laatst genoemde gebouwen ligt de Oude joodse begraafplaats, de oudste ter wereld. De oudste van de ± 12.000 grafstenen is van 25 april 1439 en draagt de naam van de dichter Abigdor Karo. Tot 1787 werden alle Praagse joden hier begraven. Door plaatsgebrek kon van uitbreiding geen sprake zijn en om godsdienstige redenen evenmin van opgraven der doden, zodat door voortdurende ophoging nu wel 12 lagen graven boven elkaar bestaan. In totaal zouden hier meer dan 100.000 doden begraven zijn.
In 1903 is toch een deel van het terrein ontruimd op last van de overheid, waarbij de grafstenen op de resterende ruimte werden geplaatst. Zeer bekend is het graf van opperrabbijn Löw (1609). Volgens een legende heeft hij een 'golem' geschapen, een lemen mens, die in dit geval over de bewoners van het getto waakte. Ook het graf van de eerdergenoemde Mordechai Maisel is er nog. Een oud bijgeloof zegt, dat schriftelijke wensen achtergelaten op een graf als dat van Löw, in vervulling zullen gaan. Aan de vele papiertjes met een steen verzwaard tegen wegwaaien kan men zien, dat het nog een zeer levend bijgeloof is.