
Door dichtslibbing van het Zwin werd de stad definitief van de Noordzee afgesneden. Het verval was onomkeerbaar en in de 16e eeuw trok Antwerpen steeds meer de handel naar zich toe, hoezeer de Bruggelingen zich ook te weer stelden. Zo was het graven van een kanaal naar Oostende nog een ultieme wanhoopspoging, die het tij echter niet meer kon keren.
Maar er waren wel meer redenen voor de neergang: godsdienstperikelen, ziekte, hongersnood en problemen van politieke aard. Brugge werd langzaam een provinciehoofdplaats, waar bijna de helft van de bevolking behoeftig was en afhankelijk van liefdadigheid.